Uitspraken van de Commissie van Beroep voor het katholiek primair onderwijs in Zuid Nederland

Overplaatsing

  1. Loop van de procedure
    Partijen worden hierna genoemd appellant en de stichting.
    Bij brief van 30 juni 2006, door de Commissie ontvangen op 3 juli 2006, is appellant bij de Commissie in beroep gekomen van het besluit van de stichting hem over te plaatsen.
    Appellant heeft bij brief van 13 juli 2006, door de Commissie ontvangen op 14 juli 2006, zijn beroepsgronden aangevuld.
    De stichting heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 14 september 2006.
    De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de Commissie van 13 oktober 2006 alwaar zijn verschenen appellant, bijgestaan door mr. ….., en voor de stichting mr. ….., vergezeld van ….., algemeen directeur.
    Partijen hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities, die zij hebben overgelegd.

     

  2. De feiten

    1. Appellant is blijkens de akte van benoeming van 24 juli 2001, die wel door hem en niet door de stichting is ondertekend, voor onbepaalde tijd benoemd tot leraar aan de R.K. Basisschool ….. te ….. vanaf 1 augustus 2001 voor werktijdfactor 1,0000.

    2. Appellant werkt sinds augustus 1998 op de …... In het schooljaar 2004-2005 heeft appellant een als moeilijk bekend staande leerling in zijn klas, groep 5, gekregen. Op vrijdag 14 januari 2005 heeft appellant op haar verzoek een gesprek met de moeder van de betreffende leerling gehad. Omdat het gesprek moeilijk verliep is de directeur van de school erbij gehaald. In aanwezigheid van de directeur heeft de moeder appellant uitgescholden voor hufter en geroepen dat haar zoon geen dag meer bij hem in de klas mocht blijven. De directeur heeft op dat moment niet ingegrepen. De moeder heeft vervolgens de directeur gekust en is met haar -buiten wachtende- zoon vertrokken.
      Maandag 17 januari 2005, appellant was afwezig wegens ADV, heeft de directeur appellant gebeld met de mededeling dat hij in het weekend telefonisch met de betreffende moeder had gesproken, dat zij toen haar excuses had aangeboden en dat de leerling de volgende dag weer op school zou komen. Appellant heeft daarop de directeur medegedeeld dat hij verwachtte dat de moeder hem persoonlijk ook excuses zou aanbieden, alvorens hij de leerling in zijn klas zou toelaten. Naar eigen zeggen ervoer de directeur dit als zeer onaangenaam, omdat deze voorwaarde voor hem nieuw was en hij daarvan bij het telefoongesprek met de moeder niet was uitgegaan. Volgens de directeur was hij met de moeder in gesprek over een mogelijke uithuisplaatsing van haar zoon. Daarvoor was haar medewerking nodig en de directeur wilde dit delicate proces niet verstoren. Appellant kon dit weten.
      De moeder heeft appellant haar excuses aangeboden en de leerling is in de klas van appellant teruggekeerd. 
      Door deze gebeurtenissen is de verhouding tussen de directeur en appellant verstoord. Op 26 januari 2005 hebben appellant en de directeur in aanwezigheid van de adjunct-directeur met elkaar gesproken over hetgeen is voorgevallen. Daarna is op 15 april 2005 een gesprek gevoerd met de algemeen directeur, alsook op 17 mei 2005, waarin werd afgesproken een onderzoek te laten verrichten door een extern bureau naar de mogelijkheid tot herstel van een werkbare situatie.
      Op 12 juli 2005 heeft het bureau aan de stichting laten weten dat uit het gesprek bleek dat er op de ….. te ….. geen zakelijke en werkbare verhouding tot stand te brengen was tussen de directeur en appellant. Volgens het bureau ligt de belangrijkste factor waardoor deze verhouding niet te normaliseren is, in het feit dat de directeur geen vertrouwen heeft in appellant, dat de directeur aangeeft dat het onherstelbaar is en dat gesprekken daarover hem niet van mening zullen doen veranderen, ook niet met behulp van mediation.

    3. Bij brief van 26 september 2005 heeft de stichting appellant een voorstel tot vrijwillige overplaatsing gedaan met daarin opgenomen de mogelijkheid van beroep. Appellant heeft hiertegen beroep aangetekend, maar na een toelichting namens de stichting bij brief van 13 januari 2006 zijn beroep bij brief van 30 januari 2006 ingetrokken.
      In het gesprek van appellant en zijn gemachtigde met de algemeen directeur van de stichting op 24 januari 2006 heeft laatstgenoemde aangegeven dat de stichting het voornemen heeft over te gaan tot gedwongen mobiliteit. Als reden daarvoor heeft de stichting gegeven dat er geen samenwerking mogelijk is tussen de directeur van de ….. en appellant omdat het wederzijds vertrouwen ontbreekt. In dit gesprek is appellant verzocht aan te geven onder welke voorwaarden deze mobiliteit zou kunnen plaatsvinden. Appellant heeft toen aangegeven dat deze voorwaarden niet zullen worden aangegeven, omdat appellant niet zal meewerken aan gedwongen mobiliteit. Dit is bij brief van 7 februari 2006 door de stichting aan appellant bevestigd.
      Bij brief van 22 mei 2006 heeft de stichting het besluit tot overplaatsing aan appellant medegedeeld.

    4. Op 11 juli 2005 heeft appellant zich ziek gemeld. Hij heeft zijn werk tot op heden niet hervat.

       

  3. Het bestreden besluit, het beroep en het verweer

    1. Het bestreden besluit houdt in dat de stichting bij brief van 22 mei 2006 appellant met ingang van deze datum heeft overgeplaatst naar de …..school te ….. op grond van artikel C16 lid 2 aanhef en onder b van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het primair onderwijs (CAO).

    2. Het beroep strekt tot gegrondverklaring daarvan. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij nooit heeft aangegeven dat de directeur van de school de schuld zou hebben aan het conflict, maar dat het feit dat de mediation niet gelukt is, de schuld is van de directeur. Deze had al voor de aanvang van de mediation aangegeven dat zijn mening over appellant vast stond. Voorts zouden de argumenten die de stichting aanvoert voor het behoud van de directeur ook kunnen gelden voor behoud van appellant. De beslissing tot overplaatsing van appellant is al op een eerder moment genomen, namelijk op 23 september 2005, toen de stichting heeft aangegeven dat overplaatsing van de directeur niet aan de orde was. Dit getuigt volgens appellant niet van een zorgvuldige belangenafweging.
      Appellant heeft enkele jaren geleden een whiplash opgelopen door een auto-ongeluk en moet daardoor veel rusten. Appellant heeft er daarom belang bij dicht bij huis te werken. Dit belang is niet meegewogen. De …..school is gelegen op ongeveer een uur fietsafstand. Appellant moet daardoor een eind reizen, waardoor zijn rusttijden in gevaar komen. Appellant heeft niet de beschikking over een auto, omdat zijn echtgenote gehandicapt is en in haar dagelijkse bezigheden afhankelijk is van de (aangepaste) auto. Appellant meent dat hij door de overplaatsing naar de …..school onevenredig zwaar in zijn belangen wordt geschaad.

    3. De stichting bestrijdt de vorderingen gemotiveerd.

       

  4. De beoordeling

    1. De Commissie dient thans te beoordelen of de stichting in redelijkheid op 22 mei 2006  heeft kunnen besluiten tot overplaatsing van appellant op die datum van de ….. in ….. naar de …..school in ….. en of zij de regels ten aanzien van onvrijwillige overplaatsing correct heeft toegepast.

    2. De Commissie stelt vast dat de verhouding tussen de directeur van de school en appellant onherstelbaar verstoord is en dat appellant tot op heden niet bereid is geweest mee te werken aan vrijwillige overplaatsing.
      De stichting heeft in het besluit gesteld dat met het oog op de belangen van de school, het onderwijs en het bestuur als werkgever niet kan worden geaccepteerd dat er blijvend een ernstige conflictsituatie bestaat tussen een directeur en een leerkracht, zonder dat daar verder iets aan te doen zou zijn. Appellant heeft weliswaar aangevoerd dat hij wel nog met de directeur kan samenwerken, zoals is gebleken in de maanden na het incident, maar appellant heeft dit niet verder onderbouwd en ook ter zitting is niet gebleken van een op de toekomst gerichte opstelling van appellant. 
      Appellant heeft aangevoerd dat de argumenten van de stichting om hem over te plaatsen ook voor behoud van appellant kunnen gelden. De stichting heeft daarop gesteld, dat het voor een basisschool van grote betekenis is, als een directeur in het algemeen goed functioneert en het vertrouwen van het team geniet, dat het overplaatsen van zo´n directeur dan een veel groter verlies voor de school is dan het overplaatsen van een leerkracht/niet-directeur, ook al zou die overigens ook goed functioneren en ook het vertrouwen van het team genieten. Daarom is, aldus de stichting, het gegeven dat de directeur naar behoren functioneert, het vertrouwen van het team geniet en zijn aanwezigheid niet nadelig is voor de samenwerking en voor de sfeer in het team en daarmee ook het onderwijs, wel degelijk redengevend en beslissend voor de keuze niet de directeur maar appellant over te plaatsen.
      De Commissie is van oordeel dat de stichting hiermee heeft aangetoond dat zij alle belangen zorgvuldig heeft afgewogen en dat de stichting in deze omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor overplaatsing van de leraar.

    3. Appellant heeft aangevoerd dat het besluit van de stichting niet voldoet aan de voorwaarden voor onvrijwillige overplaatsing van artikel C16 CAO. Het verweer van de stichting dat appellant nadrukkelijk in de gelegenheid is gesteld om zijn belangen naar voren te brengen en mee te praten over de keuze van een school, maar daarvan nadrukkelijk heeft afgezien, heeft appellant ook ter zitting niet weerlegd, nadat hij eerder, zoals onder 2.3 vermeld, gezegd had zijn voorwaarden niet te zullen aangegeven.
      De Commissie is van oordeel dat gezien deze houding van appellant niet gezegd kan worden dat de stichting zich niet aan de betreffende voorwaarden heeft gehouden.
      Overigens heeft de stichting ter zitting medegedeeld dat er bij vacatures veel meer mogelijk is en heeft zij appellant uitgenodigd aan te geven wat zijn wensen zijn.

    4. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen, dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard. 

       

  5. De beslissing

    De Commissie verklaart het beroep van appellant ongegrond.

    Deze beslissing is gegeven te Utrecht op 13 oktober 2006 door mr. E.S.M.Weterings-Zeegers, voorzitter, mr. R.A.C.van Rossum, F.A.J.van Moorsel en mr. G.M.J.Prick , leden, in tegenwoordigheid van G.H.Gerritsen, secretaris.

    In verband met de oververtegenwoordiging van de leden, gekozen door de besturen, heeft mr. Prick zich van stemming onthouden.